De geleerden van al-Lajnah al-Daa-imah hebben gezegd:

… Maar indien hij fouten maakt; als zijn fout taalkundig is (grammaticaal), maar de betekenis niet verandert, dan is het beter om te bidden achter iemand die geen taalkundige fouten maakt, als dat mogelijk is. Maar als zijn taalkundige fouten in het reciteren van al-Faatihah de betekenis veranderen, dan is het gebed wat achter hem wordt verricht ongeldig. Dat is vanwege zijn fouten, zoals het zeggen van iyaaki na’budu in plaats van iyaaka na’budu of het zeggen van an’amtu ‘alayhim in plaats van an’amta ‘alayhim (enzovoorts). Als hij fouten maakt vanwege een zwakke memorisatie, dan heeft iemand die het beter heeft gememoriseerd, er meer recht op om het gebed te leiden dan hij.

Fataawaa al-Lajnah ad-Daa-imah lil-Buhooth al-‘Ilmiyyah wal-Iftaa (2/527)

Shaykh ‘Abd al-‘Azeez ibn Baaz werd gevraagd:

Er is een imaam, die (taalkundige) fouten maakt in zijn recitatie van de Koran, en soms voegt hij letters toe of laat hij deze weg uit de Koranverzen. Wat is de regelgeving betreffende het bidden achter hem?

Hij (rahimahoellaah) antwoordde:

Indien zijn fouten de betekenis niet veranderen, dan is er niets mis met het bidden achter hem, zoals wanneer hij Rabba of Rabbu zegt in plaats van Rabbi in de zin al-hamdu Llillaahi Rabbi l’aalamien; of als hij zegt al-Rahmaanu in plaats van al-Rahmaani enzovoorts. Maar als zijn fouten de betekenis veranderen, dan zouden mensen niet achter hem moeten bidden, als hij geen baat heeft bij correcties (dus wanneer hij gecorrigeerd wordt), zoals wanneer hij bijvoorbeeld iyaaki na’budu zegt in plaats van iyaaka na’budu of bijvoorbeeld het zeggen van an’amti (of an’amtu) ‘alayhim in plaats van an’amta alayhim. Maar als hij het accepteert om onderwezen te worden en (hij) zijn recitatie corrigeert wanneer hij gecorrigeerd wordt, dan zijn zijn gebed en recitatie geldig. Wat in alle gevallen is voorgeschreven, is dat de Moslim zijn broeder onderwijst – zowel in het gebed als daarbuiten – omdat de Moslim de broeder is van zijn mede-Moslim, hij leidt hem waneer hij een fout maakt, onderwijst hem wanneer hij onwetend is en corrigeert hem wanneer hij de Koran reciteert.

Majmoo’ Fataawa Ibn Baaz (12/98,99)