Shaykh al-‘Uthaymien (rahimahullaah) werd gevraagd:

Een aantal mensen was vertraagd in het bidden van Maghreb, en de imaam was begonnen met het bidden van ‘Ishaa. Zouden zij apart in een groep moeten bidden, of dienen ze met de imaam mee te doen? En hoe dienen ze te bidden?

Hij antwoordde:

De correcte mening is, dat als een persoon (naar de moskee) komt en de imaam ‘Ishaa aan het bidden is, of hij met een groep is of niet, dat hij zich dan zou moeten voegen bij de imaam, met de intentie van het bidden van Maghreb. Het maakt niet uit of de intentie van de imaam verschilt van de intentie van iemand die achter hem bidt, omdat de Profeet (salallaahoe ‘alayhi wassalam) heeft gezegd:

إنما الأعمال بالنيات، وإنما لكل امرئ ما نوى

“Voorwaar, de daden zijn naar gelang de intenties, en voorwaar, iedere persoon krijgt hetgeen hij heeft geïntendeerd.”

Als zij zich bij hem voegen in de tweede rak’ah, dan kunnen zij met hem de tasleem doen, omdat zij dan drie rak’ahs hebben gebeden, en het maakt niet uit dat zij zitten voor de Tashahhud gedurende hun eerste rak’ah. Als zij zich bij hem voegen in de eerste rak’ah, en hij dan opstaat voor de vierde rak’ah, dan kunnen zij blijven zitten om de Tashahhud op te zeggen en de tasleem, vervolgens voegen ze zich bij hem in hetgeen is overgebleven van het ‘Ishaa gebed.

De tweede mening aangaande deze kwestie is, dat zij zich bij hem zouden moeten voegen met de intentie van het bidden van ‘Ishaa, en om daarna Maghreb te bidden. En de verplichting om de gebeden op volgorde te bidden is komen te vervallen, vanwege de verplichting om mee te bidden in Jamaa’ah (gemeenschap).

De derde mening is dat zij Maghreb zelf zouden moeten bidden en zich vervolgens zouden moeten voegen bij hem (i.e. de imaam) in hetgeen resteert van het ‘Ishaa gebed. De laatste twee meningen bevatten iets waartegen enige terughoudendheid is. De eerste mening (van de laatste twee meningen) bevat het negeren van de volgorde van (de) gebeden, door ‘Ishaa vóór Maghreb te verrichten. De tweede mening (van de laatste twee meningen) bevat het plaatsvinden van Jamaa’atayn (i.e. twee groepen die bidden) in één moskee op dezelfde tijd, wat verdeling van de Ummah is.

Maar de eerste mening die we hebben vermeld, is de juiste. Iemand zou kunnen zeggen dat hier iets mis is, (en) dat is het zeggen van de Tasleem vóór de Imaam (i.e. dus voordat hij het zegt). In feite is hier niets mis mee. Het is overgeleverd op een aantal plaatsen binnen de Sunnah, dat iemand van de groep iets apart mag doen van de imaam, zoals (dat het geval is) bij Salaatul Khawf, waar de imaam hen leidt in één rak’ah, en zij vervolgens zelf het gebed afmaken en vertrekken.

Een ander voorbeeld is het verhaal van de man die Mu’aadh ibn Jabal vergezelde in het gebed, maar toen hij Soerat al-Baqarah of een andere gelijksoortige Soerah begon te reciteren, verliet hij hem en maakte (hij) het gebed niet af met hem.

En de geleerden hebben gezegd, dat als een man in Jamaa’ah bidt en dan voelt dat hij een wind moet laten of dat hij naar de wc moet om zich te ontlasten, dan rust er op hem geen zonde indien hij besluit om alleen te bidden, zijn gebed afmaakt en vertrekt. Dit toont aan, dat alleen bidden in geval van nood niet wordt gezien als iets verkeerds.

Liqaa’aat al-Baab il-Maftooh 3/425